GemeenschapLog in

Delen

Heldere uitleg van 60 begrippen uit crypto, trading, aandelen en macro-economie, telkens met een uitgewerkt voorbeeld, veelgemaakte fouten en links naar verwante begrippen en rekentools.

Crypto

  • Marktkapitalisatie (market cap)

    Marktkapitalisatie is de totale marktwaarde van alle eenheden van een belegging die in omloop zijn: de actuele koers vermenigvuldigd met het circulerend aanbod bij een cryptomunt, of met het aantal uitstaande aandelen bij een aandeel.

  • Circulerend aanbod (circulating supply)

    Het circulerend aanbod is het aantal munten of tokens dat op dit moment op de markt verhandeld kan worden. Eenheden die vergrendeld zijn, nog onder een vestingschema vallen, in reserve worden gehouden of verbrand zijn, tellen niet mee.

  • Maximaal aanbod (max supply)

    Het maximale aanbod is het grootste aantal munten of tokens dat er volgens de protocolregels ooit van een cryptomunt kan bestaan. Is dat aantal bereikt, dan kunnen er geen nieuwe eenheden meer bij komen.

  • Volledig verwaterde waardering (FDV)

    De volledig verwaterde waardering (FDV) is wat de marktkapitalisatie van een cryptomunt zou zijn als het volledige maximale aanbod tegen de huidige koers in omloop was: koers × maximaal aanbod.

  • Handelsvolume

    Het handelsvolume is de totale waarde van een belegging die in een bepaalde periode is verhandeld, meestal de afgelopen 24 uur. Het wordt doorgaans in Amerikaanse dollars weergegeven en opgeteld over alle markten waar de belegging wordt verhandeld.

  • Bitcoin-dominantie

    Bitcoin-dominantie is het aandeel van bitcoin in de totale marktkapitalisatie van alle cryptomunten, uitgedrukt als percentage. Het laat zien hoeveel van de totale waarde van de cryptomarkt in bitcoin zit, vergeleken met alle andere munten.

  • Altcoin

    Een altcoin is elke cryptomunt behalve bitcoin. Het woord combineert ‘alternative’ en ‘coin’ en omvat alles van grote blockchainnetwerken tot heel kleine tokens.

  • Altcoinseizoen (altseason)

    Altcoinseizoen is een informele naam voor een periode waarin een groot deel van de altcoins beter presteert dan bitcoin. Er bestaat geen eenduidige officiële definitie, en verschillende trackers meten het op verschillende manieren.

  • Stablecoin

    Een stablecoin is een cryptomunt die is ontworpen om een stabiele waarde te behouden ten opzichte van een referentie, meestal de Amerikaanse dollar, zodat 1 token ongeveer $1 waard blijft.

  • Bitcoin-halving (halvering)

    De Bitcoin-halving is een in het protocol ingebouwde gebeurtenis die het aantal nieuwe bitcoin dat miners per blok ontvangen halveert. Dit gebeurt elke 210.000 blokken, wat neerkomt op ongeveer eens per vier jaar.

  • Blockchain

    Een blockchain is een gedeeld digitaal grootboek waarin transacties in blokken worden gebundeld en elk blok aan het vorige is gekoppeld, waardoor de registratie na toevoeging zeer moeilijk te wijzigen is.

  • Proof of stake (PoS)

    Proof of stake (PoS) is een methode waarmee een blockchain overeenstemming bereikt over nieuwe blokken: validators zetten munten van het netwerk vast als onderpand en worden naar verhouding van hun inzet (stake) gekozen om blokken voor te stellen en te bevestigen.

  • Staking

    Staking is het vastzetten van cryptomunten om een proof-of-stake-blockchain te helpen beveiligen, in ruil voor beloningen die meestal in dezelfde token worden uitbetaald.

  • APR vs. APY

    APR (annual percentage rate) is een eenvoudig jaarpercentage zonder rente op rente, terwijl APY (annual percentage yield) ook de rente over eerder ontvangen rente meetelt. Daardoor is de APY hoger zodra de rente vaker dan één keer per jaar wordt bijgeschreven.

  • Gaskosten (gas fee)

    Gaskosten zijn de vergoeding die je betaalt om een transactie te laten verwerken of een smart contract uit te voeren op Ethereum en vergelijkbare blockchains. Ze dekken de rekenkracht en opslag die het netwerk gebruikt en worden betaald in de eigen munt van het netwerk.

  • Gedecentraliseerde financiën (DeFi)

    Gedecentraliseerde financiën (DeFi) is een verzameling financiële diensten, zoals handelen, uitlenen en lenen, die draaien op smart contracts op een blockchain in plaats van via een bank, broker of andere centrale tussenpersoon.

  • Gedecentraliseerde exchange (DEX)

    Een gedecentraliseerde exchange (DEX) is een platform waar gebruikers tokens via smart contracts rechtstreeks vanuit hun eigen wallet swappen, zonder geld in bewaring te geven bij een centrale beheerder.

  • Impermanent loss (tijdelijk verlies)

    Impermanent loss is het nadeel dat een liquiditeitsverschaffer heeft ten opzichte van het simpelweg aanhouden van dezelfde tokens, veroorzaakt door een verandering in de koersverhouding van de tokens in de pool.

  • Cryptowallet

    Een cryptowallet is software of een apparaat dat de privésleutels bewaart die nodig zijn om cryptomunten te beheren en transacties te ondertekenen; de munten zelf blijven geregistreerd op de blockchain.

  • Whale (walvis)

    Een whale is een persoon of organisatie met een zeer grote hoeveelheid van een cryptomunt, zo groot dat de transacties of overboekingen ervan de koers of het marktsentiment merkbaar kunnen beïnvloeden.

  • HODL

    HODL is cryptoslang voor het vasthouden van een munt tijdens koersschommelingen in plaats van steeds in en uit te stappen; het begon als een spelfout van ‘hold’ in een bericht op een Bitcoinforum uit 2013.

  • Fear and Greed Index (angst- en hebzuchtindex)

    Een fear and greed index is een sentimentscore van 0 tot 100 die de stemming op de markt samenvat, waarbij 0 staat voor extreme angst en 100 voor extreme hebzucht.

Trading en risico

  • Hefboom (leverage)

    Met een hefboom beheer je een positie die groter is dan je eigen kapitaal door geleend geld of een margestorting te gebruiken, zodat winsten en verliezen worden vermenigvuldigd ten opzichte van je inleg.

  • Liquidatie

    Liquidatie is het gedwongen sluiten van een positie met hefboom door een exchange of protocol wanneer de marge op de rekening onder het vereiste onderhoudsniveau zakt.

  • Perpetual futures (perps)

    Perpetual futures zijn futurescontracten zonder vervaldatum waarmee traders long of short kunnen gaan op de koers van een belegging, meestal met hefboom, terwijl periodieke fundingbetalingen de contractprijs dicht bij de spotprijs houden.

  • Funding rate (financieringstarief)

    De funding rate is een periodieke betaling tussen long- en shorttraders van een perpetual futurescontract, die zo wordt vastgesteld dat de contractprijs dicht bij de spotprijs blijft.

  • Marktorder vs. limietorder

    Een marktorder koopt of verkoopt direct tegen de beste prijzen die op dat moment beschikbaar zijn, terwijl een limietorder alleen wordt uitgevoerd tegen een prijs die je zelf instelt of beter, en mogelijk helemaal niet wordt uitgevoerd.

  • Stop-loss

    Een stop-loss is een order die een positie automatisch sluit wanneer de koers een vooraf ingesteld niveau bereikt, om het verlies op een trade te beperken.

  • Take-profit

    Een take-profit is een order die een positie geheel of gedeeltelijk automatisch sluit wanneer de koers een doelniveau bereikt, zodat je winst veiligstelt zonder de markt in de gaten te hoeven houden.

  • Slippage

    Slippage is het verschil tussen de prijs die je verwacht wanneer je een order plaatst en de prijs waartegen de order daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

  • Liquiditeit

    Liquiditeit is hoe gemakkelijk een belegging snel gekocht of verkocht kan worden zonder de koers sterk te bewegen. Een liquide markt heeft veel kopers en verkopers, een smalle bied-laatspread en veel orders rond de huidige koers.

  • Maker- en takerfees

    Maker- en takerfees zijn handelskosten die als percentage van de transactiewaarde worden berekend. Een maker voegt een order aan het orderboek toe die wacht op uitvoering; een taker voert een order uit die er al staat en betaalt meestal een hoger tarief.

  • Periodiek beleggen (dollar-cost averaging, DCA)

    Periodiek beleggen, ook wel dollar-cost averaging genoemd, is op vaste momenten, bijvoorbeeld elke week of maand, een vast bedrag inleggen, ongeacht de koers. Omdat het bedrag gelijk blijft, koop je meer eenheden als de koers laag is en minder als die hoog is.

  • Kostprijs (cost basis)

    De kostprijs is het totale bedrag dat je hebt betaald om een belegging te verwerven, inclusief kosten. Gedeeld door het aantal eenheden dat je bezit, geeft dat de gemiddelde kostprijs per eenheid: het referentiepunt voor het meten van winst of verlies en voor de belastingaangifte.

  • Winst en verlies (PnL)

    Winst en verlies (PnL, van profit and loss) is de winst of het verlies op een positie. Gerealiseerde PnL komt van posities die zijn gesloten, terwijl ongerealiseerde PnL de papieren winst of het papieren verlies is op posities die nog openstaan.

  • Risico-rendementsverhouding (risk-reward ratio)

    De risico-rendementsverhouding vergelijkt hoeveel een trade kan verliezen als de stop-loss wordt geraakt met hoeveel hij kan opleveren als het doel wordt bereikt. Een verhouding van 1:3 betekent dat je $1 riskeert voor een mogelijke opbrengst van $3.

  • Positiegrootte bepalen (position sizing)

    Positiegrootte bepalen is vaststellen hoeveel eenheden je in een trade koopt of verkoopt, zodat het verlies bij het raken van de stop-loss gelijk is aan een gepland deel van je rekening. Het beheerst het risico per trade in plaats van de uitkomst te voorspellen.

  • Drawdown

    Een drawdown is de daling van een piekwaarde naar een later dieptepunt, meestal weergegeven als percentage. De maximale drawdown is de grootste daling van dat soort in een bepaalde periode voor een rekening, portefeuille, strategie of belegging.

  • Shorten (short selling)

    Shorten is het verkopen van een geleende belegging in de hoop die later tegen een lagere koers terug te kopen. De shortseller verdient als de koers daalt en verliest als die stijgt.

  • Bullmarkt vs. bearmarkt

    Een bullmarkt is een langdurige periode van stijgende koersen, en een bearmarkt een langdurige periode van dalende koersen. De termen beschrijven de brede richting van een markt, een beleggingscategorie of één belegging over maanden in plaats van dagen.

  • Diversificatie (spreiding)

    Diversificatie is het spreiden van geld over verschillende beleggingen waarvan de koersen niet volledig gelijk bewegen, zodat een groot verlies op één positie minder effect heeft op de hele portefeuille.

Aandelen en fondsen

  • Koers-winstverhouding (K/W)

    De koers-winstverhouding (K/W) vergelijkt de aandelenkoers van een bedrijf met de winst per aandeel en laat zien hoeveel dollar beleggers betalen voor elke $1 jaarwinst van het bedrijf.

  • Winst per aandeel (WPA)

    De winst per aandeel (WPA) is het deel van de nettowinst van een bedrijf dat toekomt aan elk gewoon aandeel. Je berekent het door de winst die beschikbaar is voor gewone aandeelhouders te delen door het aantal uitstaande aandelen.

  • Dividendrendement

    Het dividendrendement is het jaarlijkse dividend per aandeel gedeeld door de huidige aandelenkoers, uitgedrukt als percentage. Het laat zien hoeveel inkomen in contanten het dividend vertegenwoordigt ten opzichte van de koers.

  • Ex-dividenddatum

    De ex-dividenddatum is de eerste handelsdag waarop een aandeel wordt verhandeld zonder recht op het volgende aangekondigde dividend; wie op of na die dag koopt, ontvangt die uitkering niet.

  • Beursgenoteerd fonds (ETF)

    Een beursgenoteerd fonds (exchange-traded fund, ETF) is een beleggingsfonds waarvan de deelbewijzen net als een afzonderlijk aandeel op een beurs worden verhandeld, terwijl het fonds zelf een mandje beleggingen aanhoudt, zoals aandelen, obligaties of grondstoffen.

  • Indexfonds

    Een indexfonds is een beleggingsfonds of ETF dat het rendement van een marktindex probeert te evenaren door dezelfde effecten, of een representatieve selectie daarvan, in ongeveer dezelfde verhoudingen aan te houden.

  • Volatiliteit

    Volatiliteit meet hoe sterk de rendementen van een belegging in een bepaalde periode rond hun gemiddelde schommelen, meestal uitgedrukt als de naar jaarbasis omgerekende standaarddeviatie van de rendementen.

  • Bèta

    Bèta meet hoe gevoelig de rendementen van een belegging zijn geweest voor de rendementen van een marktbenchmark: een bèta van 1 betekent dat de belegging gemiddeld gelijk opliep met de markt, boven 1 sterker en onder 1 minder sterk.

  • 52-weekshoogtepunt

    Het 52-weekshoogtepunt is de hoogste koers die een belegging in de afgelopen 52 weken heeft bereikt. Het dient als referentiepunt om te zien waar de huidige koers zich bevindt binnen de bandbreedte van het afgelopen jaar.

  • Aandelensplitsing (stock split)

    Bij een aandelensplitsing vergroot een bedrijf het aantal aandelen door elk bestaand aandeel in meerdere aandelen te verdelen, waardoor de koers per aandeel in dezelfde verhouding daalt zonder dat de totale waarde van het bedrijf verandert.

  • Voortschrijdend gemiddelde (MA)

    Een voortschrijdend gemiddelde is de gemiddelde koers van een belegging over een vast aantal recente periodes, die elke periode opnieuw wordt berekend, zodat het gemiddelde met de grafiek meebeweegt en kortetermijnschommelingen afvlakt.

  • Relatieve sterkte-index (RSI)

    De relatieve sterkte-index (RSI) is een momentumindicator die recente koersstijgingen afzet tegen recente koersdalingen op een schaal van 0 tot 100, meestal over 14 periodes.

Valuta en macro

  • Wisselkoers

    Een wisselkoers is de prijs van de ene valuta uitgedrukt in een andere. Een EUR/USD-koers van 1,10 betekent dat 1 euro 1,10 Amerikaanse dollar kost.

  • Bied-laatspread (bid-ask spread)

    De bied-laatspread is het verschil tussen de hoogste prijs die een koper wil betalen (de biedprijs of bid) en de laagste prijs die een verkoper accepteert (de laatprijs of ask). Het zijn de kosten van kopen en direct weer verkopen.

  • Pip

    Een pip is de standaardeenheid om een verandering in een wisselkoers te meten. Bij de meeste valutaparen is dat 0,0001, de vierde decimaal; bij paren die in Japanse yen worden genoteerd is het 0,01.

  • Inflatie

    Inflatie is de algemene stijging van de prijzen van goederen en diensten in de loop van de tijd. Naarmate de prijzen stijgen, kun je met elke geldeenheid minder kopen; daarom wordt inflatie ook omschreven als een verlies van koopkracht.

  • Consumentenprijsindex (CPI)

    De consumentenprijsindex (CPI) volgt de gemiddelde verandering in de loop van de tijd van de prijzen die huishoudens betalen voor een vast pakket consumptiegoederen en diensten, en is een standaardmaatstaf voor inflatie.

  • Rente

    Rente is de prijs van het lenen van geld, of de beloning voor het sparen ervan, uitgedrukt als percentage van het geleende of gespaarde bedrag per jaar.

  • Rente op rente (samengestelde rente)

    Bij rente op rente wordt de rente berekend over zowel het oorspronkelijke bedrag als de rente die er al bij is opgeteld, waardoor een saldo in de loop van de tijd sneller groeit dan bij enkelvoudige rente.

Deze woordenlijst dient uitsluitend ter educatie en is geen beleggingsadvies. De voorbeelden gebruiken fictieve cijfers.

Financieel leercentrum